Home > Aansprakelijkheid > “Slapend dienstverband” mag van Hof
“Slapend dienstverband” mag van Hof

“Slapend dienstverband” mag van Hof

Voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) kon de werkgever van een meer dan twee jaar arbeidsongeschikte werknemer een ontslagvergunning aanvragen bij het UWV en daarna de arbeidsovereenkomst opzeggen zonder verdere financiële gevolgen. De werknemer restte dan nog slechts de mogelijkheid van een kennelijk onredelijk ontslagprocedure, een ongewis pad met wisselend succes dat dan ook niet zo vaak werd bewandeld. 

Transitievergoeding

Vanaf 1 juli 2015 bepaalt de wet echter dat ook de werknemer die na twee jaar arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen, net als andere werknemers met een dienstverband van tenminste 24 maanden, recht heeft op de transitievergoeding. Deze nieuwe regelgeving is veel werkgevers een doorn in het oog. Er is immers ook tenminste twee jaar (een groot deel van) het salaris doorbetaald. Waarom dan nog een vergoeding? Zeker als er geen relatie bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en de werkzaamheden, achten veel werkgevers dit onrechtvaardig. 

Om niet alsnog een vergoeding te hoeven betalen, besluiten veel werkgevers daarom om het dienstverband met de werknemer die tenminste twee jaar arbeidsongeschikt is geweest in stand te laten en zo een slapend dienstverband te laten ontstaan. 

Het gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft op 27 juli 2016 geoordeeld dat de keuze voor zo’n slapend dienstverband niet onrechtmatig is. De werknemer in kwestie, een chauffeur, is op 3 juli 2006 in dienst getreden. Ruim zeven jaar later wordt hij arbeidsongeschikt en na twee jaar arbeidsongeschiktheid ontvangt de werknemer een loongerelateerde WGA uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid percentage van 80 tot100%. In het arbeidsdeskundig onderzoek, naar aanleiding van de WIA aanvraag, staat dat de werknemer door een neurologische aandoening zijn werk als chauffeur niet meer kan verrichten. 

Kort na de toekenning van de WIA uitkering gaan werkgever en werknemer in gesprek over een beëindiging van het dienstverband. De werknemer wenst een transitievergoeding of een andere ontslagvergoeding en weigert de door de werkgever voorgelegde vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. De werknemer stapt vervolgens zelf naar de kantonrechter met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van de transitievergoeding. De werknemer is van mening dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever nu de werkgever geen transitievergoeding wil betalen. Subsidiair wordt ontbinding verzocht in verband met ernstige wanprestatie die er uit zou bestaan dat de werkgever na het tweede ziektejaar de “slapende overeenkomst” niet heeft beëindigd. Ten slotte voert de werknemer aan dat hij recht heeft op schadevergoeding op basis van slecht werkgeverschap. In alle gevallen vordert de werknemer een bedrag ter grootte van de transitievergoeding. De kantonrechter ontbindt wel de arbeidsovereenkomst maar kent geen vergoeding toe en biedt de werknemer ook niet de gelegenheid om het verzoek in te trekken.

Werknemer komt van dit vonnis in beroep bij het Hof. Het Hof oordeelt dat er geen verplichting bestaat voor de werkgever om een arbeidsongeschikte werknemer te ontslaan na de periode dat de werkgever tot loondoorbetaling verplicht is. Zelfs als de reden voor de werkgever om niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan uitsluitend was gelegen in het niet willen betalen van de transitievergoeding, is het Hof van oordeel dat ook in dat geval niet kan worden gezegd dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de kant van de werkgever. 

De werknemer blijft dus met lege handen staan. Het Hof oordeelt bovendien dat het niet alsnog juridische mogelijkheden ziet om de werknemer in de gelegenheid te stellen zijn verzoek in eerste aanleg in te trekken. Ook als de kantonrechter (naar de mening van het Hof) ten onrechte de werknemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn verzoek in te trekken, voorziet de wet naar het oordeel van het Hof niet in een regeling om dat in hoger beroep alsnog te doen. Het Hof ziet voor zichzelf geen rol weggelegd om alsnog in een dergelijke regeling te voorzien. 

Deze uitspraak is vermoedelijk niet hetgeen de minister voor ogen had toen de wet werd gemaakt. Werkgeversorganisaties pleiten ervoor om de verplichting tot het betalen van een transitievergoeding, ook als de werkgever zelf het initiatief neemt tot een beëindiging te komen, zo snel mogelijk af te schaffen. 

Beleid

Deze uitspraak zou werkgevers ertoe kunnen brengen om op grote schaal slapende dienstverbanden in stand te houden. Ook aan het in stand houden van slapende dienstverbanden zijn echter risico’s verbonden. Dirkzwager denkt graag met u mee om op dit terrein uw beleid te ontwikkelen.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen