Home > Arbeidsovereenkomst > Pensioenontslagbeding staat opzegging na AOW-leeftijd niet in de weg
Pensioenontslagbeding staat opzegging na AOW-leeftijd niet in de weg

Pensioenontslagbeding staat opzegging na AOW-leeftijd niet in de weg

Sinds 1 juli 2015 kan ingevolge artikel 7:669 lid 4 BW een arbeidsovereenkomst met een werknemer die de AOW-gerechtigde heeft bereikt zonder een ontslagprocedure worden opgezegd. Voorwaarde hierbij is dat de arbeidsovereenkomst is ingegaan  voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en niet anders schriftelijk is overeengekomen. In de meeste arbeidsovereenkomsten staat evenwel een pensioenontslagbeding waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De vraag is hoe dit pensioenontslagbeding zich verhoudt met het huidige artikel 7:669 lid 4 BW. Het einde van rechtswege bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zou strikt genomen namelijk betekenen dat als een werknemer na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (aansluitend) doorwerkt er een nieuwe arbeidsovereenkomst bestaat, in welk geval de arbeidsovereenkomst niet is ingegaan voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De voorzieningenrechter Amsterdam onderkent in juridische zin het  probleem, maar hecht meer waarde aan de bedoeling van de wetgever met artikel 7:669 lid 4 BW.

Volgens de voorzieningenrechter kan dogmatisch het betoog dat door het pensioenontslagbeding sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst en daardoor artikel 7:669 lid 4 niet van toepassing is wellicht worden gevolgd, maar doet dit geen recht aan de feitelijke situatie en aan de strekking van artikel 7:669 lid BW.  De werknemer in deze zaak was voor en na zijn pensioendatum in dienst van de werkgever en de werkgever heeft slechts eenmaal beroep gedaan op de AOW-leeftijd als grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Als het betoog van de werknemer, zijnde dat na de AOW-datum een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan, zou worden gevolgd, dan wordt volgens de voorzieningenrechter voorbij gegaan aan het door de regering geachte voordeel van de regeling. De voorzieningenrechter formuleert dit voordeel als dat de werkgever de pensioengerechtigde werknemer na het bereiken van de pensioendatum kan laten doorwerken in de wetenschap dat bij een ontslag geen procedure hoeft te worden gevolgd voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij wordt in acht genomen dat tet doel van de regeling is om doorwerken na de AOW-leeftijd mogelijk te maken. De voorzieningenrechter laat de opzegging derhalve in stand en wijst de vorderingen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling van de werknemer af.

Gelet op het evidente doel van de regeling, te weten doorwerken na pensioen makkelijker maken, ben ik het met het pragmatische oordeel van de voorzieningenrechter eens. Met name gelet op het feit dat heel veel arbeidsovereenkomsten (vooralsnog) een pensioenontslagbeding kennen, zou een strikte uitleg van artikel 7:669 lid 4 BW ertoe leiden dat werkgevers alsnog een ontslagprocedure moeten starten om de arbeidsovereenkomst met de pensioengerechtigde werknemer te kunnen beëindigen. Dit druist in tegen de wens om doorwerken na pensioenleeftijd te stimuleren en lijkt mij dan ook evident niet de bedoeling van de wetgever.  De vraag is nog wel hoe toepassing van artikel 7:669 lid 4 BW zich verhoudt met gelijke behandelingswetgeving (op grond van leeftijd). Echter, deze vraag is niet aan de voorzieningenrechter Amsterdam voorgelegd. Wellicht komt dit nog in hoger beroep of in de bodemprocedure. Wij houden u uiteraard op de hoogte.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen