Home > Arbeidsovereenkomst > Mededelingsplicht over transitievergoeding bij beëindiging met wederzijds goedvinden?
Mededelingsplicht over transitievergoeding bij beëindiging met wederzijds goedvinden?

Mededelingsplicht over transitievergoeding bij beëindiging met wederzijds goedvinden?

Op 11 december 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over de vraag of er op de werkgever bij de onderhandelingen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, een mededelingsplicht rust om de werknemer er op te wijzen dat hij ingeval van een eenzijdige beëindiging (mogelijk) aanspraak heeft  op een transitievergoeding.

Transitievergoeding

Op grond van de wet heeft een werknemer aanspraak op een transitievergoeding indien zijn arbeidsovereenkomst tenminste twee jaar heeft geduurd en op initiatief van de werkgever wordt beëindigd door opzegging of door ontbinding door de rechter. Ook heeft de werknemer aanspraak op een transitievergoeding indien zijn tijdelijk contract dat tenminste twee jaar heeft geduurd op initiatief van de werkgever niet wordt verlengd.

Bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden bestaat ingevolge de wet geen aanspraak op een transitievergoeding. Reden dat in geval van een beëindiging met wederzijds goedvinden geen aanspraak op de transitievergoeding bestaat, is dat werkgever en werknemer in dat geval zelf kunnen bepalen onder welke voorwaarden de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Partijen kunnen afspreken dat de werknemer een hogere vergoeding dan de transitievergoeding ontvangt, doch kunnen ook afspraken dat de werknemer geen (transitie)vergoeding ontvangt. De wetgever heeft de verwachting uitgesproken de transitievergoeding wel reflexwerking zal hebben op de hoogte van de ontslagvergoeding ingeval van een beëindiging met wederzijds goedvinden. In de praktijk blijkt dit ook het geval te zijn en wordt ingeval van een beëindiging met wederzijds goedvinden vaak aansluiting gezocht bij de wettelijke transitievergoeding.

Uitspraak rechtbank Midden-Nederland

In de zaak die voorlag bij de rechtbank Midden-Nederland had de werkgever de werknemer een vaststellingsovereenkomst aangeboden zonder toekenning van een (transitie)vergoeding. De werknemer had met deze overeenkomst ingestemd, waardoor de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd.

Kennelijk kwam de werknemer na ommekomst van de bedenktermijn tot de ontdekking dat hij zijn instemming te snel had verleend en ingeval van een eenzijdige beëindiging van zijn dienstverband aanspraak zou hebben gehad op de transitievergoeding. Nu ontving hij geen enkele vergoeding.

In rechte vordert de werknemer daarom alsnog betaling van de transitievergoeding met een beroep op het goed werkgeverschap. Naar stelling van de werknemer had zijn werkgever hem bij het aanbieden van de vaststellingsovereenkomst erop moeten wijzen dat hij in geval van een eenzijdige beëindiging van het dienstverband (naar alle waarschijnlijkheid) aanspraak zou hebben gehad op de transitievergoeding. Doordat de werkgever dit niet had gedaan, wist de werknemer niet dat hij in het kader van de onderhandelingen over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, toekenning van de transitievergoeding als voorwaarde had kunnen stellen.

De rechter gaat niet mee in het betoog van de werknemer en stelt vast dat er geen algemene mededelingsplicht op de werkgever rust om bij de onderhandelingen over een minnelijke beëindigingsregeling de werknemer te informeren over zijn mogelijke aanspraak op een transitievergoeding. De rechter overweegt daarbij dat sinds de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid iedere werknemer na het sluiten van een minnelijke beëindigingsregeling 14 dagen bedenktermijn heeft. Binnen deze termijn kan een werknemer zonder opgaaf van redenen terugkomen op de door hem verleende instemming met de beëindigingsregeling. Deze termijn acht de rechter voldoende om als werknemer informatie in te winnen over zijn rechten en plichten bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en biedt derhalve voldoende waarborg. Van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden was naar het oordeel van de rechter geen sprake.

Kortom, een werkgever behoeft zijn werknemer bij het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband, er niet op te wijzen dat hij mogelijk aanspraak zou kunnen maken op de transitievergoeding.

Klik hier voor de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.

 

 

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen