Home > Arbeidsovereenkomst > Vergoeding verzekeringstechnisch nadeel: zowel bij verplichte deelneming als vrijwillige aansluiting bedrijfstakpensioenfonds om rekening mee te houden!
Vergoeding verzekeringstechnisch nadeel: zowel bij verplichte deelneming als vrijwillige aansluiting bedrijfstakpensioenfonds om rekening mee te houden!

Vergoeding verzekeringstechnisch nadeel: zowel bij verplichte deelneming als vrijwillige aansluiting bedrijfstakpensioenfonds om rekening mee te houden!

Een recent arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015 illustreert maar weer eens dat een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel de gemoederen flink bezig houdt. Het gaat daarbij ook niet om geringe bedragen. Met een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel kan zomaar meerdere tonnen gemoeid zijn. De hoogte van de vergoeding verzekeringstechnisch nadeel is onder meer afhankelijk van de samenstelling van het deelnemersbestand dat verdwijnt uit het fonds, bijvoorbeeld hoeveel jongeren daarbij zitten (die immers een solidariteitsbijdrage in de doorsneepremie betalen). Werkgevers die (willen) vertrekken uit een bedrijfstakpensioenfonds zullen op dit aspect bedacht moeten zijn. Niet uitsluitend op het moment van vertrek, maar vooral ook op het moment van aansluiting. Juist op dat moment wordt veelal iets geregeld over de verplichting om een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel te betalen, mocht de werkgever op enig moment het fonds weer verlaten.

Achtergrond

Verzekeringstechnisch nadeel kan bij een bedrijfstakpensioenfonds ontstaan op het moment dat een werkgever met zijn werknemers niet langer deelneemt in het betreffende bedrijfstakpensioenfonds. Dat vertrek kan van invloed zijn op de hoogte van de doorsneepremie, omdat die doorsneepremie o.a. bepaald wordt aan de hand van het totale deelnemersbestand. De doorsneepremie belichaamt een zekere solidariteit, nu de jongere deelnemers eenzelfde pensioenpremie betalen als de oudere deelnemers, terwijl zij nog een langere ‘horizon’ tot hun pensioen hebben. Een actuarieel bepaalde premie had voor de jongere geresulteerd in een lagere premie dan voor de oudere deelnemer. In de doorsneepremie, die dus voor iedere deelnemer gelijk is, zit derhalve een zekere solidariteitsbijdrage verdisconteerd. Een vertrek van relatief jonge deelnemers betekent ook dat daarmee solidariteitsbijdragen verloren gaan. Voor onder meer dat nadeel kan een vergoeding verzekerings­technisch nadeel worden gevraagd.

Wanneer aan de orde en welke rekenregels?

Een bedrijfstakpensioenfonds kan sowieso een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel vragen in geval van een vrijstelling in verband met:

–          groepsvorming (artikel 3 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf);

–          een eigen cao (artikel 4 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf);

–          onvoldoende beleggingsrendement (artikel 5 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf);

–          andere redenen (artikel 6 Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf).

Hoewel het geen wettelijke verplichting van het bedrijfstakpensioenfonds lijkt om daadwerkelijk een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel te vragen, is het eerder regel dan uitzondering dat een bedrijfstakpensioenfonds dit vraagt. Vaak staat hierover ook iets vermeld in het uitvoeringsreglement of de uitvoeringsovereenkomst. Mocht een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel door een bedrijfstakpensioenfonds in het licht van het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf gevraagd worden, dan moet deze vergoeding vastgesteld worden aan de hand van de Rekenregels als bedoeld in bijlage 2 bij het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf.

Een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel kan echter ook aan de orde zijn in een situatie waarin een vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds eindigt. Het is dan aan contractspartijen, te weten de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds, om in de uitvoeringsovereenkomst vast te leggen dat de werkgever een vergoeding in geval van (bijvoorbeeld) een collectieve uittreding moet betalen en hoe die vergoeding moet worden vastgesteld. Voor wat betreft dit laatste: de Rekenregels uit het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf zijn dan niet verplicht van toepassing. Zeker een werkgever moet er dus op bedacht zijn dat deze vergoeding op een andere, en dus ook op een ten opzichte van de Rekenregels nadeligere wijze kan worden vastgesteld. Dat is ook in de rechtspraak bevestigd. Er is niet altijd voldoende aandacht voor dit aspect. Veelal ontstaat die aandacht pas op het moment dat een beëindiging van de vrijwillige aansluiting zich voordoet en dan komt alsnog de vraag op of een vergoeding moet worden betaald en zo ja, hoeveel. Omdat die vergoeding, zeker bij “eigen” rekenregels behoorlijk kan oplopen, kan dit tot zeer onaangename verrassingen bij een werkgever leiden.

Arrest Hoge Raad

In het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015 stond tussen partijen niet ter discussie dat de Rekenregels uit het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf leidend zijn voor de berekening van de hoogte van het verzekeringstechnisch nadeel. Wel hadden partijen discussie over de wijze waarop deze Rekenregels uitgelegd moesten worden. Er was allereerst discussie over de uitleg van het begrip “onderdekking” in de zin van de Rekenregels. Nozema (inmiddels gefuseerd met KPN) stelde dat met onderdekking bedoeld wordt de situatie waarin de dekkingsgraad bij het pensioenfonds Media PNO beneden de 105% lag. Dit was bij het pensioenfonds Media PNO niet aan de orde (dekkingsgraad van 118%), waardoor volgens Nozema op haar ook niet de verplichting rustte om (tevens) een vergoeding te betalen ter financiering van een bepaalde achterstand. Daarnaast was er discussie tussen partijen over de uitleg van het begrip “inkoop van aanspraken van niet-actieven”. Meer specifiek stelde Nozema dat hieronder niet wordt verstaan de indexering van niet-actieven, terwijl pensioenfonds Media PNO stelde dat voor de berekening van de vergoeding verzekeringstechnisch nadeel tevens rekening moest worden gehouden met de indexatieverplichting voor niet-actieven. Als hiermee rekening moet worden gehouden, had dit daadwerkelijk geleid tot een hogere vergoeding verzekeringstechnisch nadeel.

De Hoge Raad stelde Nozema als werkgever op beide punten in het gelijk. De Hoge Raad vond dus dat het begrip “onderdekking” moest worden gelezen in de context van o.a. de Pensioen- en Spaarfondsenwet, de Pensioenwet en het Besluit FTK, en hiervan dus sprake is in geval van een dekkingsgraad beneden de 105%. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat wat betreft de inkoop van de aanspraken van niet-actieven de indexeringsverplichting hierin niet mag worden meegenomen.

Tot slot

In het bovenstaande lichtte ik al toe dat vergoeding verzekeringstechnisch nadeel ook aan de orde kan zijn in geval van het einde van een vrijwillige aansluiting. Werkgevers die vrijwillig aangesloten zijn en hier – bijvoorbeeld vanwege de hoge doorsneepremie – bij voorkeur vanaf zouden willen, doen er verstandig aan om eens te kijken naar de contractuele grondslag van de vrijwillige aansluiting. Geldt deze vrijwillige aansluiting in de lengte der jaren, zijn hieraan voorwaarden verbonden, heeft het fonds voldaan aan de zogenoemde taakafbakeningsvoorschriften etc.? In sommige gevallen heeft de werkgever wel degelijk de contractsvrijheid om (in afstemming met de werknemers) een vrijwillige aansluiting te beëindigen. Weliswaar kan de eventuele (contractuele) verplichting tot het voldoen van een bedrag aan verzekerings­technisch nadeel leiden, maar soms kan het betalen van zo’n vergoeding verzekeringstechnisch nadeel gunstiger zijn dan tot in de lengte der jaren voldoen van een hoge doorsneepremie. Zeker voor werkgevers die met een relatief jong personeelsbestand te maken hebben, kan een ‘eigen’ verzekerde pensioenregeling goedkoper uitpakken dan het jarenlang betalen van een doorsneepremie aan een bedrijfstakpensioenfonds.

 

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen