Home > Pensioen > Pensioen, (eenzijdige) wijziging en verjaring
Pensioen, (eenzijdige) wijziging en verjaring

Pensioen, (eenzijdige) wijziging en verjaring

Wijziging van de arbeidsvoorwaarde pensioen blijft een lastig en actueel onderwerp. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch besliste op 1 april 2014 dat in de oorspronkelijke arbeids-/pensioenovereenkomst geen eenzijdig wijzigingsbeding was afgesproken. In de aanstellingsbrief uit 1996 staat over pensioen: “Na ommekomst van een jaar zult u deel gaan nemen in ons pensioencontract. De premie komt voor onze rekening. Het contract voorziet in een ouderdoms- en weduwen/partnerpensioen. De opbouw is 1,75% per jaar over de pensioengrondslag (vaste salaris minus AOW-inbouw)”.

Instemming van de werknemer met een latere wijziging van de pensioenovereenkomst had welbewust moeten plaatsvinden. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010.

Ondubbelzinnig instemmen

In het arbeidsrecht geldt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst – vanwege de verstrekkende gevolgen voor de werknemer – de aangescherpte maatstaf dat de werknemer ondubbelzinnig met de beëindiging moet hebben ingestemd. De werkgever heeft een onderzoeksplicht of de werknemer met het aanbod van de werkgever tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst akkoord gaat. De werkgever moet zich ervan vergewissen of de werknemer heeft begrepen dat hem instemming met het ontslag werd gevraagd.

Welbewust instemmen

In andere situaties in het arbeidsrecht gelden de algemene regels voor totstandkoming van een overeenkomst. In artikel 3:37 lid 1 BW staat dat verklaringen, waaronder de aanvaarding van een aanbod, in iedere vorm kunnen geschieden; een positieve of negatieve verklaring kan ook besloten liggen in een of meer (eventueel stilzwijgende) gedragingen. Het hanteren van het piep-systeem door de werkgever is mogelijk. Dit wil zeggen dat de werkgever bericht stuurt aan de werknemer(s) dat deze geacht wordt (worden) akkoord te zijn gegaan met de wijziging, tenzij binnen een redelijke termijn ondubbelzinnig negatief geantwoord wordt.

Deze hoofdregel geldt ook voor het maken van een nadere of nieuwe afspraak.

Indien sprake is van een verslechtering van (een) arbeidsvoorwaarde(n) mag de werkgever erop vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd, indien aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging is gegeven en indien op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer aangenomen mag worden dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd.

Specifieke eisen pensioenrecht

Artikel 83 Pensioenwet (over de bevoegdheid van de pensioenuitvoerder tot collectieve waardeoverdracht) vereist het geven van schriftelijke informatie alvorens sprake kan zijn van stilzwijgende individuele instemming.

Het verdient aanbeveling aan dit vereiste van schriftelijke informatieverschaffing invulling te geven indien welbewuste instemming vereist is. Dus bij wijziging van een arbeidsvoorwaarde die een verslechtering inhoudt.

Oordeel hof

De uitleg van de oorspronkelijke pensioenafspraak valt negatief uit voor de werkgever. Hierin was geen eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. De werknemer had in december 1998 per mail laten weten: “Ik blijf bij de oude regeling!!”. Daarom kan de werkgever geen beroep doen op het latere pensioenreglement (waarmee de werknemer niet had ingestemd), waarin wel een eenzijdig wijzigingsbeding was opgenomen. Verder besliste het hof dat geen sprake is van een eindloonregeling maar van een kapitaalovereenkomst. Hierop dient de schade te worden vastgesteld, die de werkgever dient te vergoeden.

Verjaring pensioenschade

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van (pensioen)schade door verloop van vijf jaar na de dag waarop de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. In de rechtspraak is uitgemaakt dat deze termijn niet eerder start dan na de dag waarop de schadevergoeding opeisbaar is geworden.

Verjaring pensioenuitkering

Op grond van artikel 59 Pensioenwet verjaart een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een (pensioen)uitkering niet zolang de pensioengerechtigde leeft. Deze regel is ingevoerd op 1 januari 2007. Voordien gold (op grond van de artikelen 3:307 BW en volgende en specifiek voor de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering artikel 7:985 BW) een korte verjaringstermijn van vijf jaar na opeisbaarheid.

Reactie

De rechtsregels over de totstandkoming en wijziging van de pensioen- en arbeidsovereenkomst zijn ingewikkeld. Iedere werkgever dient zich hiervan terdege bewust te zijn. Voor het pensioenrecht geldt, dat de inhoud van de pensioenafspraak vaak niet duidelijk is vastgelegd, vragen oproept of onvolledig is en dat een onvoldoende instemming van de werknemer met deze afspraak of wijziging hiervan grote (financiële) gevolgen kan hebben, met bijzondere verjaringsregels. Juist nu het pensioenrecht zo in beweging is en noopt tot regelmatige wijziging van de geldende pensioenregeling, is een correcte juridische vormgeving zeer actueel. Indien fouten gemaakt worden, kan de werkgever jaren later geconfronteerd worden met zeer vervelende financiële aansprakelijkheden. In de hiervoor besproken uitspraak ging het om een aansprakelijkheid die teruggaat tot 1996.

De pensioenadvocaten van Dirkzwager hebben veel kennis over en ervaring met wijzigingstrajecten in het arbeidsrecht en specifiek met betrekking tot pensioen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen