Home > Pensioen > Nettolijfrente in de tweede pijler
Nettolijfrente in de tweede pijler

Nettolijfrente in de tweede pijler

Het kabinet heeft op 28 maart 2014 een richtinggevende brief gestuurd naar de Tweede Kamer. De brief gaat over de vormgeving van nettolijfrenten in box 3 IB voor vrijwillige pensioenopbouw boven een salaris van € 100.000,- bruto. Zie mijn bijdrage van 23 januari 2004 (Novelle pensioenopbouw 2015: Witteveenkader en premiewaarborgen).

Wens Tweede Kamer

Het is de wens van de Tweede Kamer om werknemers met een hoger inkomen dan € 100.000,- bruto de mogelijkheid te bieden ook voor dit hogere deel bij hun pensioenfonds een netto pensioen in de tweede pijler op te bouwen in box 3 (zonder vermogensrendements­heffing). Aanvankelijk dacht het kabinet alleen aan opbouw van dit netto “pensioen” in de derde pijler bij een verzekeraar of bank.

Aandachtspunten kabinet

  • Als de nettolijfrente aangeboden wordt door een pensioenfonds of PPI is de Pensioenwet van toepassing; hierdoor moet sprake zijn van een kostendekkende premie voor deze pensioenregeling, dan wel een kostendekkende aankoop van uitkeringen;
  • er moet een gescheiden administratie zijn tussen de verschillende pensioenregelingen met een juiste toedeling van kosten;
  • indien sprake is van een tekort bij de financiering van de nettolijfrente (nettopot) kan sprake zijn van kruissubsidiëring vanuit de brutopot; andersom kan ook;
  • dit leidt tot fiscale risico’s; voorkomen moet worden dat hierop gemanipuleerd wordt;
  • uiteindelijk vormen de verschillende pensioenregelingen onder de Pensioenwet één financieel geheel (geen ringfencing); dat wil zeggen er zijn uiteindelijk geen afscheiden vermogens voor de diverse basis- en aanvullende (vrijwillige) pensioenregelingen;
  • om deze risico’s te beperken mogen nettolijfrenten alleen aangeboden worden als zuivere DC-regeling, zonder rendementsgarantie; de langlevende- en rendementsrisico’s liggen dan in de opbouwfase bij de deelnemers en niet bij het fonds (in de uitkeringsfase is dit anders en bestaat het risico van kruisbestuiving);
  • het overlijdensrisico (nettonabestaandenlijfrente) en arbeidsongeschiktheidsrisico (premie­vrijstelling en verdere opbouw) blijven in de opbouwfase bij het fonds; om hieraan tegemoet te komen denkt het kabinet aan verplichte herverzekering om kruisbestuiving te voorkomen;
  • vanwege het vrijwillige karakter van de nettolijfrente is de werkgever verplicht de bijdrage (minimaal 10%) ook te geven aan de werknemer die niet kiest voor een nettolijfrente.

Gevolgen afkoop nettolijfrente

Ingeval van afkoop komt de box 3-vrijstelling voor de gehele opgebouwde aanspraak te vervallen. Verder wordt een forfaitaire heffing van 1,2% verschuldigd over de helft van de waarde van de nettolijfrente op het moment van afkoop, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat gespaard is (met een maximum van 10 jaar).

Commentaar

De uitvoerbaarheid van de nettolijfrente in de tweede pijler is een kritisch punt. Hierbij spelen een rol enerzijds de vrijwilligheid (hoeveel werknemers kiezen hiervoor, hoe groot is de collectiviteit?) en anderzijds de extra uitvoeringskosten in verband met de administratieve scheiding ten opzichte van de andere pensioenregelingen van het fonds. De vraag komt dan ook op welke voordelen het voor de werknemer/deelnemer heeft om de nettolijfrente in de tweede pijler bij hetzelfde pensioenfonds dat het bruto pensioen uitvoert, kunnen aanhouden. Is het niet eenvoudiger dit te laten plaatsvinden in de derde pijler, buiten het bereik van de Pensioenwet? Naar mijn mening wel.

We moeten de concrete beleidsvoornemens van het kabinet afwachten en uiteraard de reactie van de Tweede Kamer.

U wordt via deze kennisportal op de hoogte gehouden van de verdere ontwikkelingen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen