Home > Algemeen > Geen recht op vervoer bij re-integratie
Geen recht op vervoer bij re-integratie

Geen recht op vervoer bij re-integratie

Een werknemer is arbeidsongeschikt en kan zelf niet naar het werk komen. Kan dan van de werkgever worden gevergd vervoer te regelen? En als een werkgever het vervoer niet (langer) regelt, kan de arbeidsongeschikte werknemer dan weigeren de aangeboden passende werkzaamheden te verrichten? Over deze vragen boog het Hof ’s-Hertogenbosch zich medio vorig jaar.

De werkneemster in kwestie was werkzaam bij een uitzendorganisatie, laatstelijk als champignonplukster. Op een gegeven moment viel de werkneemster als gevolg van arbeidsongeschiktheid (rugklachten) uit voor deze werkzaamheden. In het kader van haar re-integratie is zij schoonmaakwerkzaamheden gaan verrichten met een urenbeperking.  De werkneemster kon meerijden met (een) collega(‘s) die eveneens bij het schoonmaakbedrijf werkzaamheden verrichtte(n). Toen deze mogelijkheid om mee te rijden verviel, meldde de werkneemster zich weer volledig ziek. De werkgever heeft nog andere aangepaste werkzaamheden aangeboden, maar de werkneemster weigerde deze aangepaste werkzaamheden te verrichten. De werkneemster gaf aan dat zij niet kon werken, omdat zij zich niet kon verplaatsen. De werkgever nam hiermee geen genoegen en wees de werkneemster op haar re-integratieverplichtingen in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter. Uiteindelijk heeft de werkgever de loonbetaling stopgezet.

De werkneemster heeft bij de rechter het achterstallige loon gevorderd, omdat de aangeboden aangepaste werkzaamheden niet passend zouden zijn en er door de werkgever niet werd zorg gedragen voor vervoer. Het hof wees erop dat de werkneemster steeds had gezegd dat ze niet kon komen werken, omdat ze geen vervoer had. De vraag of de aangeboden arbeid passend was, kwam pas later aan de orde. De vraag die het hof dan ook beantwoordde was of de werkneemster recht had op vervoer.

Het hof stelde vast dat voor de werkneemster uitsluitend het ontbreken van vervoer doorslaggevend was geweest voor haar weigering om de aangeboden aangepaste werkzaamheden te verrichten. Met betrekking tot het gestelde recht op vervoer overwoog het hof het volgende: “Van een werkgever mag binnen de grenzen van de redelijkheid worden verlangd een werknemer, die in het kader van de re-integratie aangepast werk dient te verrichten, daartoe in staat te stellen.” Het stond vast dat de werkgever gedurende enige tijd het vervoer van de werkneemster had geregeld.  Een verplichting daartoe van de werkgever of een recht daarop van de werkneemster kon daaruit volgens het hof echter niet worden afgeleid en was ook anderszins niet gebleken. Naar het oordeel van het hof kon en mocht de werkgever op bedrijfsmatige gronden beslissen het vervoer niet langer voor werkneemster te regelen. De door de werkneemster aangevoerde omstandigheden waarom zij niet op eigen gelegenheid naar het aangepaste werk kon komen, waren omstandigheden die voor haar rekening kwamen, althans in haar risicosfeer lagen, aldus het hof.

Nu van een verplichting tot het regel van vervoer door de werkgever geen sprake was, heeft het hof geoordeeld dat de werkgever gerechtigd was een loonsanctie toe te passen, nu werkneemster uitsluitend vanwege het ontbreken van vervoer het aangepaste werk niet had verricht.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen