Home > Onderwijs > Ontslagrecht HBO aanzienlijk gewijzigd
Ontslagrecht HBO aanzienlijk gewijzigd

Ontslagrecht HBO aanzienlijk gewijzigd

Met ingang van 2 juli 2013 is er een belangrijke wijziging opgetreden in de rechtspositie van het onderwijsondersteunend personeel in het HBO: het BBA 1945 is niet meer van toepassing. Dit blijkt uit een besluit van de minister Asscher van 24 juni 2013, gepubliceerd in de Staatscourant. Een belangrijk besluit dat snel over het hoofd wordt gezien. Genoeg reden voor tekst en uitleg.

Het BBA vormt de basis voor het duale ontslagstelsel zoals Nederland dat sinds 1945 kent. Het Burgerlijk Wetboek biedt de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, echter op grond van het BBA dient voor een rechtsgeldige opzegging echter wel eerst een ontslagvergunning te worden verkregen.

In artikel 2 BBA is een aantal werknemers expliciet uitgesloten van haar werking, zoals bijvoorbeeld onderwijzend en docerend personeel. Achtergrond van deze uitzondering is dat de overheid de vrijheid van onderwijs wil respecteren. Dit is een algemeen bekende uitzondering. Wat minder bekend is, is dat de minster op grond van artikel 2 lid 3 groepen werknemers kan aanwijzen die eveneens van de werking van het BBA zijn uitgesloten.

Het onderwijsondersteunend personeel was als zodanige groep aangewezen, doch het HBO viel er sinds 2007 buiten. In de praktijk moest in geval van ontslag voor die groep dus een ontslagvergunning worden aangevraagd of ontbinding worden verzocht. De cao-partijen in het hoger onderwijs hadden in 2007 om deze uitzonderingspositie gevraagd met het oog op de normalisatie van arbeidsverhoudingen.

In 2013 hebben de cao-partijen aanleiding gezien om de minister opnieuw om aanpassing te vragen. De huidige voorkeur is klaarblijkelijk om het onderwijsondersteunend persoon toch niet langer onder de werking van het BBA te brengen. Deze groep wordt in gelijke positie gebracht met het onderwijzend personeel. Dat betekent dat alle arbeidsovereenkomsten, ook die onderwijsondersteunend personeel, tegenwoordig weer opgezegd kunnen worden zonder ontslagvergunning. De ontslagen medewerker die bezwaar wenst aan te tekenen kan naar de Commissie van Beroep stappen.

Of de arbeidsovereenkomst nu vaker zal eindigen door opzegging, zal in de praktijk moeten blijken. Ervaring leert dat de ontbindingsrechter ter zitting veelal goed aanvoelt waar de pijn zit, minder formalistisch tegen de zaak aan kijkt dan de commissie. Op korte termijn meer zekerheid verkrijgen over het definitief einde van de arbeidsovereenkomst weegt in bepaalde gevallen zeker op tegen het risico van een vergoeding die de rechter toekent naast de bovenwettelijke rechten op grond van de BWRHBO. Uit de jurisprudentie blijkt bovendien dat het bestaan van aanzienlijke wachtgeldaanspraken een (fors) matigende werking heeft op de ontbindingsvergoeding. De vraag is of het gevaar van een (forse) additionele ontbindingsvergoeding levensgroot is.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen