Home > Algemeen > Wetsvoorstel aanpassing WOR (financiering scholingssysteem OR-leden)
Wetsvoorstel aanpassing WOR (financiering scholingssysteem OR-leden)

Wetsvoorstel aanpassing WOR (financiering scholingssysteem OR-leden)

Wetsvoorstel op initiatief van sociale partners

Onlangs is een wetsvoorstel ingediend onder de naam “Aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden in verband met wijziging van de financiering van het scholingssysteem voor leden van de ondernemingsraad en enkele andere wijzigingen van deze wet”. Aan dit wetsvoorstel ging een initiatief van de sociale partners vooraf. In maart 2011 heeft de Bestuurskamer van de SER haar advies gegeven over “Toekomst scholing en vorming leden ondernemingsraad”, waarin een ander systeem ter financiering van de scholing en vorming van ondernemingsraadleden wordt voorgesteld.

In het wetsvoorstel wordt nog een tweetal andere voorstellen uitgewerkt, die betrekking hebben op het verkrijgen van een recht voor OR’en op duidelijkere informatie over zeggenschapsverhoudingen in internationale concerns en op het vervallen van de verplichte bemiddeling in het kader van de geschillenprocedure. Aangezien ik in dit artikel focus op het voorstel tot wijziging van de financiering van het scholingssysteem, laat ik deze voorstellen buiten beschouwing.

Het huidige systeem

Op basis van artikel 18 lid 2 WOR hebben leden van de OR en vaste commissies of onderdeelcommissies recht op scholing en vorming. In artikel 22 WOR is geregeld dat alle kosten die de OR en zijn commissies redelijkerwijs moeten maken om hun taak te kunnen vervullen, voor rekening van de ondernemer komen. Kosten voor scholing en vorming van de leden van de OR en de commissies vallen onder deze regeling. Artikel 46a WOR bepaalt dat de ondernemer op wie de verplichting rust een ondernemingsraad in te stellen of die een OR heeft ingesteld, een heffing dient te betalen, waarvan de opbrengst bestemd is voor de bevordering van scholing en vorming van ondernemingsraadleden. Deze heffing bedraagt een bepaald percentage van de fiscale loonsom van de ondernemer, welke jaarlijks wordt vastgesteld door de SER. De organisatie die invulling geeft aan de scholing en begeleiding is het Gemeenschappelijk Begeleidingsinstituut Ondernemingsraden (GBIO). Alleen cursussen die gevolgd zijn bij door het GBIO erkende instellingen, komen voor een vergoeding in aanmerking. Het systeem werkt zo, dat het scholingsinstituut zijn tarief voor de cursus aan de werkgever offreert. Bij akkoord betaalt de ondernemer het scholingsinstituut het geoffreerde tarief minus de GBIO-bijdrage. Het scholingsinstituut vraagt de GBIO-bijdrage voor deze cursus aan bij het GBIO en ontvangt deze rechtstreeks van het GBIO op declaratiebasis.

Aanleiding voor verandering

Het huidige systeem verliest steeds meer aan draagkracht, omdat de manier van financiering erg inefficiënt is. Immers, bedrijven moeten eerst een heffing betalen ten gunste van het GBIO om vervolgens van datzelfde GBIO geld te vragen voor de scholing waar ze gebruik van willen maken. Daarnaast mist het scholingsrecht momenteel een wettelijke vorm van kwaliteitsborging en de werkgeversplicht op dit terrein is niet expliciet in de WOR geregeld.

Het voorgestelde nieuwe systeem

Vandaar dat, op advies van de SER, het wetsvoorstel de navolgende veranderingen introduceert:

  1. Het scholingsrecht voor OR-leden wettelijk verankeren, waardoor werkgevers de (expliciete) plicht hebben OR-leden de scholing te laten genieten die zij voor de vervulling van hun taak nodig achten;
  2. Het afschaffen van de WOR-heffing, waarmee zowel de verplichting voor de ondernemer tot betaling van de heffing als de bevoegdheid van de SER tot jaarlijkse vaststelling van het heffingspercentage en inning daarvan door de Belastingdienst vervalt. Dit resulteert in lastenverlichting voor zowel de onderneming, de SER als de Belastingdienst; 
  3.  Het ondersteunen van de kwaliteit van scholing door in de WOR expliciet een verband te leggen tussen scholing en vorming en de kwaliteit daarvan, waardoor de OR in het overleg met de ondernemer eisen kan stellen aan de kwaliteit van de opleiding. De wettelijke bepaling biedt zo, in samenhang met het door de sociale partners op te zetten kwaliteitssysteem, de OR en de ondernemer de zekerheid van het gewenste niveau van scholing;
  4. Het geven van de bevoegdheid aan de SER om een richtbedrag voor scholing per dag(deel) vast te stellen als richtsnoer voor het scholingsbudget van de OR;

Aangezien het wetsvoorstel onlangs bij de Tweede Kamer is ingediend, is over de plannen uiteraard het laatste woord nog niet gesproken. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen